attention deficit disorders

Herkenning

Opvallende onrust (beweeglijkheid of innerlijke onrust), concentratieproblemen en impulsiviteit zijn de belangrijkste kenmerken van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD). Omdat deze kenmerken ook in de normale ontwikkeling voorkomen is afgesproken dat je pas van ADHD mag spreken als de problemen niet passen bij het ontwikkelingsniveau en bovendien het normale functioneren negatief beïnvloeden. De problemen komen bij ADHD in verschillende situaties (school, thuis, elders) voor, bestaan langer dan 6 maanden en zijn begonnen voor het 7e levensjaar.

Kinderen met ADHD hebben moeite met stilzitten. Ze zitten te wiebelen en te draaien of staan zomaar op zonder acht te slaan op de situatie. Ook hebben ze veel moeite hun aandacht bij een taak te houden en daarom maken ze dingen vaak niet af. Tijdens het speelkwartier vallen kinderen met ADHD soms niet zo op maar in de klas of aan tafel bij het eten is de onrust goed merkbaar. Veel kinderen met ADHD hebben ook last van impulsiviteit. Ze flappen een antwoord eruit voor de vraag is afgemaakt, overzien gevaar vaak niet, kunnen niet op hun beurt wachten en storen anderen door dwars door een gesprek of spel heen te gaan. Sommige kinderen met ADHD hebben vooral concentratie problemen. Zij missen de H van hyperactiviteit. Dit zijn meer de dagdromers die altijd alles kwijt zijn, een chaos van hun kamer maken, een slordig handschrift hebben en vaak niet lijken te luisteren.

Achtergrond

ADHD komt bij 1-3% van de kinderen voor. Jongens: meisjes is 3:1. ADHD is voor 70-80% erfelijk bepaald. Dit is gebleken uit tweeling- en familie onderzoek. Lagere sociaal- economische status, emotionele deprivatie en opgroeien in de stad zijn allemaal gerelateerd aan hyperactiviteit. Veel voorkomende problemen naast ADHD zijn onhandigheid, een (iets) vertraagde taalontwikkeling, leerproblemen (bijvoorbeeld met lezen of spelling), een IQ onder de 100, moeite met sociale contacten en agressief, antisociaal gedrag. De helft van de kinderen met ADHD houdt klachten tot in de volwassen leeftijd. Delinquent gedrag, alcohol- en drugsmisbruik komen op de volwassen leeftijd vaker voor als er eerst sprake was van ADHD.

Behandeling

Het is heel belangrijk dat aan de ouders, het kind en school wordt uitgelegd wat de kenmerken van ADHD zijn en dat niemand schuld heeft aan de problemen. Vaak wordt ADHD door de omgeving niet serieus genomen. Ouders krijgen de schuld van slechte opvoeding of er wordt gezegd dat het gewoon een "vervelend kind" is. Dit is natuurlijk vreselijk.

Duidelijke structuur en afspraken over gedrag zijn nodig om de hyperactiviteit en impulsiviteit te reguleren. Gedragstherapie kan hierbij helpen. Beloningen voor goed gedrag bijvoorbeeld helpen vaak om taken langer vol te houden of gedrag te normaliseren, ‘tot tien tellen’ helpt de impulsiviteit te verminderen. Remedial teaching kan helpen bij leerproblemen maar soms is plaatsing op speciaal onderwijs nog beter.

De laatste jaren is medicatie voor concentratie problemen en hyperactiviteit steeds populairder geworden. Stimulantia worden het meest voorgeschreven. Methylphenidaat (Ritalin of Concerta) is het meest gangbaar maar ook dexamphetamine kan worden gebruikt. Het opvallende is dat deze hyperactieve kinderen rustig worden van een middel waar een normaal mens hyper van wordt.

Veel gehoorde bijwerkingen die kunnen optreden bij deze medicijnen zijn een verminderde eetlust en slaapproblemen. Soms komen depressieve klachten of (een toename van) tics voor als gevolg (letterlijk, na het gebruik) van stimulantia. Dit kan een reden zijn om er mee te stoppen. Bij het gebruik van stimulantia worden de bloeddruk, het gewicht en de lengte gecontroleerd omdat stimulantia de bloeddruk kunnen verhogen en de groei kunnen remmen.

Met stimulantia kan, mits er geen ernstige bijwerkingen zijn, ongestoord langere tijd doorgegaan worden. Vaak wordt eens per jaar een periode ingelast (drug holiday) waarin de stimulantia niet gebruikt worden om zo te beoordelen of de medicatie nog nodig is. Andere middelen die worden gebruikt, als tweede of derde keus, zijn bepaalde tricyclische antidepressiva (zoals imipramine), clonidine en atomoxetine (Strattera). Dit laatste middel is pas recent op de markt gekomen en wordt nog niet vergoed. Het effect van bepaalde diëten (met minder suiker bijvoorbeeld) is nooit eenduidig aangetoond.