oppositional defiant disorder

Herkenning

Wangedrag en oppositioneel gedrag vormen de meest voorkomende problemen in de kinder- en jeugdpsychiatrie en zijn ook voor de maatschappij een kostbaar probleem. Oppositioneel gedrag zou je als aparte aandoening kunnen zien maar wordt ook wel de milde vorm van wangedrag genoemd vooral bij wat jongere kinderen.

Gedragsproblemen komen natuurlijk bij alle kinderen wel eens voor en passen dan ook bij een normale ontwikkeling. Je spreekt pas van een psychiatrische aandoening als het gedrag extreem is en aanhoudend (minstens een jaar). Kinderen met een gedragsstoornis zijn vaak niet gevoelig voor autoriteit. Ze zijn agressief of vertonen antisociaal gedrag waarbij de rechten en bezittingen van anderen worden geschonden en regels en wetten worden overtreden. Kinderen met een gedragsstoornis worden meestal makkelijk boos en geven vaak anderen de schuld van hun eigen gedrag. Ze kunnen mensen of dieren mishandelen, spijbelen, weglopen, liegen, brandstichten en ook stelen komt vaak voor.

Bij alleen oppositioneel gedrag staat prikkelbaarheid, boosheid en opstandigheid ten aanzien van regels of verzoeken van volwassenen op de voorgrond en blijft het overtreden van wetten en regels (nog) achterwege. Je zou nog een onderscheid kunnen maken tussen openlijk antisociaal gedrag zoals vechten, pesten, bedreigen en woede-uitbarstingen en heimelijk antisociaal gedrag zoals stelen, vernielen, liegen en brandstichten. Agressie zou je nog kunnen onderverdelen in reactief agressief gedrag waarbij de agressie een reactie is op een zichtbare prikkel (bijvoorbeeld gaan vechten als er een plagende opmerking wordt gemaakt) en proactief agressief gedrag waarbij de agressie zonder aanleiding door het kind geïnitieerd wordt zoals een vechtpartij beginnen om indruk te maken op vriendjes. Het reactieve kind beoordeelt de omgeving vaak als te vijandig, is vaak vanuit frustratie agressief, heeft een gebrek aan zelfcontrole en vaak een hoge mate van spanning. Het proactief agressieve kind is juist koelbloedig, weinig emotioneel en heeft een doel met zijn agressie (vaak om te domineren).

Achtergrond

Ongeveer 4% van de kinderen heeft een gedragsstoornis. Het komt 3 keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes. Lage sociale status, grote gezinnen en opgroeien in achterstandsbuurten worden allemaal met gedragsstoornissen geassocieerd. Ook een slechte relatie tussen de ouders, mishandeling of misbruik en gebrek aan warmte in een gezin worden sterk gerelateerd aan gedragsstoornissen.

Inconsistent of te streng opvoeden lijken ook een link met gedragsproblemen te hebben. Omgevingsfactoren hebben een grote invloed maar ook eigenschappen van het kind, waaronder de genetische aanleg spelen een rol. Die genetische invloed is vooral groot bij kinderen die later een antisociale persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen of in de criminaliteit terecht komen (wat bij 40% van de kinderen het geval is).

Veel kinderen met opstandig gedrag hebben last van hyperactiviteit en emotionele problemen zoals depressie. Bij deze kinderen is het beloop vaak nog ongunstiger. Vaak (in ongeveer 30% van de gevallen) zijn er ook specifieke leerproblemen of een laag IQ. Slechte sociale vaardigheden zijn soms al vroeg te merken en voorspellen ook een ongunstig beloop.

Behandeling

De prognose van een gedragsstoornis is slecht. Gedragstherapie, sociale vaardigheidstraining en het trainen van probleem oplossend vermogen wordt vaak in groepen gegeven. Individuele psychotherapie en ouderbegeleiding kunnen ook een positief effect hebben. Bij al deze behandelvormen moet het kind gemotiveerd zijn en moeten ook de ouders bereid zijn mee te werken. De slechte prognose hangt voor een groot deel samen met het ontbreken van die motivatie om zich in te zetten.

De behandeling richt zich vaak op een aantal specifieke problemen die het gedrag hanteerbaarder maken maar waarmee niet het totale gedrag te verbeteren is. Hoe eerder de behandeling gestart wordt hoe beter. Helaas zie je soms dat het "verkeerde" gedrag na verloop van tijd weer terug komt en het is daarom raadzaam individuele onderhoudsbehandeling te geven na het afronden van een groepstherapie.

Als er sprake is van hyperactiviteit kan die behandeld worden met stimulantia. Lithium en andere stabilisatoren zoude een effect kunnen hebben op woede-uitbarstingen maar worden weinig voorgeschreven.