panic disorder

Herkenning

Paniekstoornis is niet moeilijk te herkennen vanaf het ogenblik dat je beseft dat de gevoelens van angst en de daarbij behorende lichamelijke verschijnselen niet een lichamelijke ziekte betreffen (een hartkwaal bijvoorbeeld) maar een psychiatrische aandoening. De snel opkomende angst, het gevoel overweldigd te worden, controle te verliezen of gek te worden, zijn allemaal verschijnselen die gemakkelijk te identificeren zijn. Herkenning van paniekaanvallen wordt dan ook niet belemmerd door de onduidelijkheid van de verschijnselen, maar omdat bij iedere paniekaanval steeds weer de gedachte postvat dat er iets mis is met het hart of dat je "gek" aan het worden bent. Het is vaak moeilijk overtuigd te worden dat er geen sprake is van een lichamelijke ziekte, maar van paniekaanvallen die met veel lichamelijke verschijnselen gepaard gaan.

Paniekaanvallen kunnen in twee situaties voorkomen: òf zij treden op als een donderslag bij heldere hemel, òf zij hangen samen met de situatie waar je bang voor bent en die je vermijdt. De aanvallen die zomaar uit de lucht komen vallen, worden ook wel "spontane" paniekaanvallen genoemd, omdat zij niet als gevolg van een bepaalde situatie maar plotseling en onvoorspelbaar optreden. Dit zijn de aanvallen die je krijgt als je op straat wandelt, tijdens je werk, bij het lezen van een boek of midden in de nacht. De andere soort worden "situationele" paniekaanvallen genoemd omdat deze optreden in bepaalde, voorspelbare, situaties; namelijk die omstandigheden waarvoor je bang bent, die je vermijdt. Dit zijn paniekaanvallen die (bijvoorbeeld) optreden in een lift, als je in de rij staat bij de kassa, als je in een auto zit die over een brug rijdt.

Gemeenschappelijk kenmerk van deze situaties is dat je ze uit de weg wilt gaan omdat je er moeilijk uit weg komt wanneer je daar een paniekaanval zou krijgen (of omdat het opvalt wanneer je wegrent). Echter, juist omdat je deze omstandigheden vermijdt, wordt de angst ervoor steeds groter. Hierdoor neemt de kans op een paniekaanval, mocht je toch worden geconfronteerd met datgene wat je uit de weg gaat, verder toe. De situationele paniekaanvallen kun je dus voorspellen: je weet wanneer deze kunnen optreden en omdat je dat weet, kun je ze voorkomen door deze situaties te vermijden (zoals net aangegeven, verstandig is dit echter niet).

Wanneer je last hebt van aanvallen van angst of paniek, of wanneer je vele uiteenlopende situaties mijdt, lijd je mogelijk aan paniekstoornis. Het is verstandig dan een arts of psychiater te raadplegen, omdat de aandoening goed te behandelen is.

Paniek

De paniekstoornis bestaat uit een of meer aanvallen van paniek waarbij de angst optreedt om:

  • dood te gaan (meestal aan een hartinfarct)
  • controle te verliezen of
  • 'gek' te worden

Een eerste paniekaanval kan onder allerlei omstandigheden optreden: tijdens een maaltijd, een wandeling, een fietstocht, op het werk, thuis, dan wel op straat. Soms ontstaan paniekaanvallen tijdens de slaap waardoor de patiënt wakker schrikt met hevige angstgevoelens (deze aanvallen treden overigens niet op vanwege dromen).

De eerste paniekaanval zal er vaak toe leiden dat de patiënt medische hulp zoekt. Soms wordt de EHBO bezocht, of wordt de huisarts ingeroepen omdat de persoon bang is een hartinfarct te hebben doorgemaakt. [De verschijnselen van een hartinfarct en een paniekaanval zijn echter verschillend.] Bij veel van deze patiënten wordt lichamelijk onderzoek verricht; afwijkingen worden er niet gevonden.

Het komt voor dat na de eerste paniekaanval zich nooit meer een tweede voordoet. Meestal wordt de eerste paniekaanval echter gevolgd door andere, waarbij de tijd tussen de eerste en de tweede aanval sterk kan variëren: soms kunnen er maanden overheen gaan tot de tweede aanval zich voordoet. Bij anderen is het de volgende dag al.

Hoewel sommigen na een of twee aanvallen inzien dat er geen sprake is van een "zwak hart" of van andere lichamelijke gebreken, keert twijfel over de gezondheid in de meerderheid van de gevallen bij elke aanval weer terug. Iedere aanval leidt namelijk steeds weer tot het gevoel ter plekke te kunnen overlijden.

Begrijpelijkerwijs ontwikkelen mensen die dergelijke aanvallen meemaken de angst dat er zich weer een aanval zal voordoen. Zo ontstaat tussen de aanvallen de voortdurende angst voor een volgende aanval, die we anticipatieangst noemen: angst in "afwachting" van de volgende aanval. Deze angst is met name zo groot omdat de aanvallen onvoorspelbaar zijn. Deze onberekenbaarheid is een van de redenen dat men situaties uit de weg gaat waar het hebben van zo'n aanval moeilijk te verbergen is, of waar het moeilijk is weg te vluchten. Andere patiënten zijn bang om door een aanval overvallen te worden en dan geen hulp te kunnen krijgen: vandaar dat zij niet alleen op stap durven en zoveel mogelijk begeleid willen worden door een ander (echtgenoot, vriendin).

Lichamelijke verschijnselen

Lichamelijke verschijnselen voor die alle het gevolg zijn van de angst: hartkloppingen, moeite met ademhalen of een brok in de keel, trillen, zweten, knikkende knieën, misselijkheid, duizeligheid, licht in het hoofd met het gevoel flauw te vallen. Hoewel paniekaanvallen voor de patiënt lang lijken te duren, houden deze zelden meer dan tien minuten aan. Vaak wordt gezocht naar een verklaring waarom de paniekaanval is opgetreden, maar in de meeste gevallen komen deze als een donderslag bij heldere hemel.

Vrijwel altijd wekt een paniekaanval de behoefte op om de situatie te ontvluchten waarin men zich op dat moment bevindt (deze drang te vluchten houdt waarschijnlijk direct verband met de gevoelens van paniek). Vandaar dat het optreden van een paniekaanval in een ge- of besloten ruimte -van waaruit het moeilijk vluchten is- extra angstaanjagend is.

Paniekstoornis met agorafobie

Agorafobie betekent pleinvrees, maar de term wordt nu gebruikt voor het vermijden van vele uiteenlopende situaties. Agorafobie ontstaat waarschijnlijk als gevolg van paniekaanvallen die zomaar, zonder aanwijsbare reden, optreden (de zogenaamde spontane paniekaanvallen). Omdat de patiënt bang is tijdens zo'n paniekaanval niet te kunnen vluchten, zal hij situaties uit de weg gaan waar vluchten moeilijk of onmogelijk is. Hij zal derhalve vele uiteenlopende situaties uit de weg (willen) gaan, zoals reizen met bus, trein, tram of vliegtuig, winkelen, in een rij staan, en besloten ruimtes (kerk, bioscoop). Omdat deze omstandigheden veel voorkomen, zal de patiënt wanneer hij dergelijke situaties voortdurend uit de weg gaat ernstig in zijn bewegingsvrijheid worden beperkt.

Een andere complicatie van de paniekaanvallen is dat de patiënt niet meer alleen durft te zijn, omdat hij bang is tijdens een spontane paniekaanval geen hulp te kunnen krijgen. Deze mensen zorgen er voor altijd iemand om zich heen te hebben. Zij willen niet alleen thuis zijn, niet alleen de straat op gaan, of durven slechts in het gezelschap van een vertrouwde ander te gaan winkelen.

Paniekstoornis zonder agorafobie

Deze vorm komt minder voor dan de paniekstoornis met agorafobie. Patiënten zonder agorafobie gaan, ondanks hun paniekaanvallen, geen situaties uit de weg. Zij zijn dan ook meestal minder beperkt in hun functioneren dan de patiënten die wel vermijden. Waarom sommige patiënten wel agorafobie ontwikkelen en andere niet, is onduidelijk. Het heeft mogelijk te maken met de persoonlijkheid van de patiënt, met z'n levensomstandigheden en met de ernst en frequentie van de aanvallen.

Achtergrond

  • komt voor bij 100.000 Nederlanders
  • 2-3 keer zoveel vrouwen als mannen
  • ontstaat tussen de 25 en 35 jarige leeftijd
  • behandeling met medicijnen en gedragstherapie: in 70-80% van de gevallen verdwijnt paniek

Paniekaanvallen worden onderverdeeld in twee vormen: met vermijding, agorafobie genoemd, en zonder vermijding.

De oorzaak van de paniekstoornis is niet duidelijk. Waarschijnlijk spelen erfelijke factoren een rol, aangezien de paniekstoornis vaker voorkomt bij beide helften van een eeneiige tweeling dan bij beide helften van een twee-eiige tweeling. Ook lijken paniekaanvallen vaker voor te komen bij familieleden van een patiënt met een paniekstoornis. Hoewel er verschillende theorieën, variërend van psychoanalytische tot biologische, zijn geopperd over het ontstaan van paniekaanvallen, ontbreekt nog steeds een onomstreden verklaring hoe en waarom paniekaanvallen optreden. Afwijkingen in de hersenfunctie en de hersenstructuur zijn niet overtuigend bij patiënten met paniekstoornissen aangetoond.

Behandeling

Ofschoon de oorzaak van paniekstoornis niet duidelijk is, is de aandoening goed te behandelen. Hierbij kan worden gekozen tussen medicijnen of cognitieve gedragstherapie. Wanneer een (combinatie) van deze behandelingen wordt toegepast, verminderen of verdwijnen de spontane paniekaanvallen bij 70-80% van de patiënten. Wanneer gedragstherapie wordt toegepast, nemen ook de situationele paniekaanvallen af.

Cognitieve therapie

De cognitieve therapie is erop gebaseerd om patiënten duidelijk te maken dat hun paniekgevoel het gevolg is van een verkeerde interpretatie van de lichamelijke verschijnselen die met de paniekaanvallen gepaard gaan. Uitgelegd wordt dat deze symptomen, in tegenstelling tot wat de patiënt denkt, ongevaarlijk zijn en niet wijzen op een lichamelijke ziekte.

Middels de therapie wordt duidelijk gemaakt dat vanwege deze verkeerde interpretatie de paniek erger kan worden. Tevens wordt geleerd dat de paniekaanval altijd vanzelf overgaat en dat een hartstilstand of andere gevaarlijke consequenties nimmer optreden. Veelal heeft deze therapie in samenhang met de gedragstherapie, die hieronder wordt beschreven, een goed resultaat.

Gedragstherapie

De gedragstherapie richt zich met name op het behandelen van het vermijdingsgedrag (agorafobie) dat het gevolg is van de paniekaanvallen. De vermijding is een poging van de patiënt om het optreden van de paniekaanvallen in bepaalde situaties te voorkomen (de zogenaamde situationele paniekaanvallen). Door het uit de weg gaan van situaties waarvan de patiënt verwacht dat deze paniekaanvallen zullen uitlokken, wordt hij echter (sterk) in zijn mogelijkheden beperkt. Wanneer de patiënt niet meer met openbaar vervoer kan reizen en soms zelfs het huis niet meer durft te verlaten omdat hij bang is een paniekaanval op straat te krijgen, wordt zijn functioneren in hoge mate belemmerd. Hoe meer hij vermijdt, des te groter de angst wordt voor de confrontatie met de gevreesde situatie.

De gedragstherapie leert de patiënt om stapje voor stapje de confrontatie aan te gaan met datgene waar hij bang voor is. Een voorbeeld is de patiënt die niet met de bus durft te reizen. Hij wordt eerst gemotiveerd om bij de bushalte te gaan staan. De angst die dan zal optreden, moet hij leren verwerken door te ervaren dat er niets verschrikkelijks gebeurt. Wanneer hij verschillende malen heeft meegemaakt dat hij niet dood gaat, gek wordt of controle verliest, wordt de volgende stap genomen, bijvoorbeeld een halte met de bus reizen. Ook dan weer zal de patiënt moeten ervaren dat er zich geen voordoet. Zo wordt het programma langzaam uitgebreid: twee haltes reizen, enzovoorts. Uiteindelijk zal de patiënt weer normaal in de maatschappij kunnen functioneren.

Combinatie van medicatie en cognitieve gedragstherapie

De meest werkzame behandeling van paniekaanvallen -al dan niet tezamen met agorafobie- is de combinatie van medicijnen en cognitieve gedragstherapie. Het voordeel is dat de patiënt vanwege de medicijnen betrekkelijk snel van zijn paniekaanvallen af is maar ook leert dat de paniekaanvallen geen levensgevaarlijke situaties zijn.

De combinatietherapie is de meest effectieve behandeling voor paniekstoornis met agorafobie. Wanneer deze combinatietherapie wordt gegeven, is het behandelingsresultaat in de meeste gevallen goed.

Behandeling is mogelijk met de volgende medicijnen: SSRI's, tricyclische antidepressiva, MAO remmers, slaap- en kalmerende middelen, benzodiazepines.