dysthymic disorder

Herkenning

Dysthymie wordt door velen gezien als een milde variant van de depressieve stoornis. Het gaat om depressieve gevoelens gedurende een periode van tenminste twee jaar. De sombere stemming gaat gepaard met slaapstoornissen (teveel of te weinig slapen), eetstoornissen (meer of juist minder eetlust), verminderde energie (moeheid), moeite met concentreren en beslissingen nemen en gevoelens van wanhoop. De ernst van de symptomen is minder dan bij een depressieve stoornis maar dat wil niet zeggen dat de aandoening minder lijden veroorzaakt. Het voornaamste kenmerk is echter dat het om een lange aaneengesloten periode gaat en niet, zoals bij depressie, om een duidelijk afgrensbare episode. Per definitie zijn er geen psychotische verschijnselen en is het niet begonnen met een depressie.

Patiënten met dysthymie kunnen sarcastisch worden, humeurig lijken, claimend en klagend. Zij kunnen daardoor ergernis oproepen. Pessimisme, hopeloosheid en hulpeloosheid kunnen de indruk geven dat de patiënt zichzelf aan het kwellen is. Veel patiënten ervaren echter de oorzaken meer buiten zich en beklagen zich over slechte behandeling door hun werkgever, familieleden of de maatschappij in het algemeen.

Achtergrond

Drie tot vijf procent van de bevolking lijdt aan een dysthyme stoornis. Het is een veel voorkomende diagnose op psychiatrische afdelingen van ziekenhuizen. De aandoening begint bij de helft van de mensen sluipend en al voor het 25e levensjaar. Het komt veelvuldig voor in de jonge volwassenheid en jongens lijken dan vaker aangedaan dan meisjes. Over alle leeftijdscategorieën samen betreft het echter meer vrouwen. Onder de patiënten zijn relatief veel alleenstaanden en mensen die het financieel niet breed hebben. Vaak wordt er uiteindelijk nog een tweede diagnose gesteld, bijvoorbeeld depressie, angst (paniek) stoornis, persoonlijkheidsstoornis en bovenal: alcoholmisbruik. Dit laatste lijkt een logische zelfmedicatie om minder te voelen, emotioneel weg te wezen. Opmerkelijk is dat langdurig alcohol gebruik tot een beeld leidt dat niet te onderscheiden is van de dystymie en dat er klinisch geen kip of ei meer onderscheiden kan worden.

Behandeling

Deze patiënten werden vroeger meestal met inzichtgevende psychotherapie behandeld. Misschien is dit nog steeds wel de beste keuze. In korter durende therapieën, bijvoorbeeld cognitieve therapie, gedragstherapie of interpersoonlijke psychotherapie loopt de behandeling kans stuk te lopen op het pessimisme van de patiënt en de neiging om verdoving te zoeken. De twijfel of het ooit goed kan komen, of zij ooit in staat zullen zijn betekenisvolle relaties aan te gaan, zit erg diep. Het gevoel dat zij het niet verdienen dat het goed met hen gaat kan een belemmering vormen, evenals de neiging van mensen, ook therapeuten, om deze patiënten een beetje te willen ontlopen, want erg fijn gezelschap zijn zij aanvankelijk vaak niet. Recent bestaat de tendens om de psychotherapeutische behandeling te ondersteunen met antidepressieve medicatie. Dit lijkt, zeker ook uit oogpunt van de kosten, rationeel. Wetenschappelijke studies naar het effect van de verschillende behandelingen zijn er echter nog niet.